Gepubliceerd op: 08/12/2018

Het wettelijk stelsel verfijnd, maar niet veranderd.

Het wettelijk stelsel wordt verfijnd.

In vorige bijdrages hebben wij u reeds geïnformeerd over de wijzigingen aan het stelsel van scheiding van goederen. In huidige bijdrage zullen wij dieper ingaan op de verfijning van het wettelijk stelsel.

Met de nieuwe wet tot wijziging van het huwelijksvermogensrecht zijn er sinds 1 september 2018 ook een aantal verfijningen aangebracht aan het wettelijk stelsel.  Zoals de titel van deze Just a Knack reeds aangeeft, heeft de wetgever het wettelijk stelsel enkel willen verfijnen en dus niet fundamenteel veranderd. De uitgangspunten van het wettelijk stelsel blijven hetzelfde (drie vermogens, vergoedingsaanspraken voor het verarmde vermogen,…).

De wet heeft een antwoord gegeven op een aantal discussiepunten in de rechtsleer en de rechtspraak.

Juridische eigendom versus economische eigendom van professioneel gerelateerde goederen.

Éen van de problemen van het wettelijk stelsel was het statuut van de activa waarmee de echtgenoot zijn beroep uitoefent en zorgt voor inkomsten binnen het huwelijk.  Bij deze goederen botsen twee tegenstrijdige belangen: enerzijds heb je de hoogstpersoonlijke belangen van de individuele echtgenoot die zijn of haar beroep autonoom moet kunnen uitoefenen. Anderzijds zijn er de vermogensbelangen van de huwgemeenschap waartoe deze goederen behoren.

Deze botsing van belangen ziet men vooral bij de aandelen van de beroepsvennootschap van een echtgenoot, maar ook bij de eigenlijke beroepsgoederen (gereedschappen en werktuigen), en ... bij misschien wel het meest waardevolle beroepsgoed: het cliënteel. 

Alles alles koek en ei is tussen de echtelieden, is er meestal geen probleem. Tijdens het huwelijk zal de ene echtgenoot deze goederen alleen kunnen besturen, tot ieders tevredenheid.  Maar het bestuur ervan wordt problematisch bij echtscheiding. Wanneer de echtgenoten scheiden, stopt de huwgemeenschap: het wettelijk stelsel wordt ontbonden en de huwgemeenschap wordt een zogenaamde "post-communautaire onverdeeldheid": een gemeenrechtelijke mede-eigendom waarbij de regels van het burgerlijk wetboek inzake mede-eigendom (art. 577-2 BW) van toepassing zijn. Éen van de principes daarvan is dat de ex-partners bij unanimiteit moeten beslissen over deze goederen.  Enkel de daden van louter beheer of behoud kan elke mede-eigenaar afzonderlijk stellen. De ene echtgenoot dient dus vanaf de ontbinding van het huwelijksstelsel te overleggen met zijn voormalige echtgenoot!  U ziet al dat dat in een sfeer van echtschieding niet van een leien dakje verloopt.

Maar ook bij de verdeling van deze "beroepsgoederen" ontstaan grote problemen. Deze goederen werden volgens de gewone verdelingsregels verdeeld. Dit kon betekenen dat de aandelen van de ene echtgenoot door kavelvorming (of zelfs door lottrekking!) in de kavel van de andere echtgenoot terecht kwamen! Bovendien konden deze goederen bij gebreke aan akkoord ook openbaar worden verkocht...Tot slot was de preferentiële toewijs niet mogelijk bij aandelen, cliënteel of gereedschappen en werktuigen.

De nieuwe Wet heeft al deze problemen verholpen door een onderscheid te maken tussen de juridische eigendom en de vermogenswaarde van deze goederen.  Je hebt enerzijds de individuele juridische titularis van deze goederen, maar anderzijds de economische waarde ervan.

Art. 1405 BW bepaalt echter dat de vermogenswaarde van deze goederen gemeenschappelijk is:

  • de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
  • de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6
  • de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7;.

De economische waarde van deze goederen behoort dus tot de huwgemeenschap!

Voortaan zijn aandelen, beroepsgoederen en cliënteel eigen goederen, maar de vermogenswaarde is gemeenschappelijk.

Artikel 1401 BW, §1 BW bepaalt nu duidelijk dat de volgende goederen eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging:

  • de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent;
  • goederen die een echtgenoot exclusief voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf aanwendt, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze beroepsgoederen te handelen, tenzij de echtgenoten samen dat beroep uitoefenen of dat bedrijf uitbaten;
  • het cliënteel, met inbegrip van het recht om als eigenaar van het cliënteel te handelen, tenzij het cliënteel is opgebouwd binnen een beroep dat de echtgenoten samen uitoefenen of een bedrijf dat ze samen uitbaten.

Het recht om over resp. de aandelen, beroepsgoederen en het cliënteel te beschikken is dus eigen. Het recht wordt losgekoppeld van de waarde van het goed. Het “titularisschap” behoort dus toe aan één echtgenoot!

Even verder bepaalt artikel 1405 BW dat de vermogenswaarde van deze goederen gemeenschappelijk is:

  • de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
  • de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6
  • de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7;.

De economische waarde van deze goederen behoort dus tot de huwgemeenschap!

Gevolgen?

Zowel op vlak van het bestuur, als op vlak van de verdeling heeft deze verfijning gevolgen. Het eigendomsrecht (titularisschap) komt na de ontbinding van het huwelijksstelsel onmiddellijk en van rechtswege toe aan de echtgenoot-eigenaar. Deze goederen komen dus niet in de te verdelen massa!  De beroepsactieve echtgenoot kan onmiddellijk autonoom verder werken. De economische waarde van zijn of haar activiteit komt na de ontbinding van het huwelijksstelsel onmiddellijk toe aan de gemeenschap.

In een volgende bijdrage zullen we uitgebreider ingaan op de begrippen “beroepsgoederen”, “aandelen” en “cliënteel”.

Pieter Pauwels en Isabel De Pauw

Ook de moeite

Heb ik recht op het geld in de vennootschap van mijn echtgenoot?

"Mijn man spaart al het geld dat hij verdient op in zijn vennootschap, maar k...

Voeg eens een verrekenbeding toe aan je bestaande huwelijkscontract!

Wat is een verrekenbeding? De echtgenoot die tijdens het huwelijk de minste ...

Eerlijk is eerlijk.....here comes de rechterlijke billijkheidscontrole!

Om de onbillijke gevolgen van een zuivere scheiding van goederen bij echtsche...
Geïnteresseerd in onze juridische onderwerpen?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van wat er leeft bij Pauwels Advocaten.

Loading...

Disclaimer

De informatie over juridische onderwerpen die u in deze bijdrage aantreft, zijn louter informatieve, algemene besprekingen en kunnen in geen geval als juridisch advies worden beschouwd. Pauwels Advocaten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enige schade die iemand zou lijden door voort te gaan op deze informatie. Als u juridisch advies wenst, dient u contact op te nemen met een gekwalificeerde advocaat die u zal adviseren op basis van uw persoonlijke situatie.